Scaffolding: waarom en hoe passen we het toe?

Aan effectieve lesmethodes liggen verschillende didactische principes ten grondslag. Ze helpen om de complexe materie zo goed mogelijk over te kunnen brengen op studenten. Een van die didactische principes is scaffolding. Zeker in rekenmethodes is scaffolding een handig gereedschap. Maar wat betekent het eigenlijk? Hoe kun je het als docent gebruiken? En hoe passen we het toe in onze rekenmethodes? 

Scaffolding: waarom en hoe passen we het toe?

woensdag, 5 februari, 2025

Aan effectieve lesmethodes liggen verschillende didactische principes ten grondslag. Ze helpen om de complexe materie zo goed mogelijk over te kunnen brengen op studenten. Een van die didactische principes is scaffolding. Zeker in rekenmethodes is scaffolding een handig gereedschap. Maar wat betekent het eigenlijk? Hoe kun je het als docent gebruiken? En hoe passen we het toe in onze rekenmethodes? 

De definitie van scaffolding

Als docent wil je je studenten steeds iets nieuws leren. Voordat je studenten die nieuwe lesstof zelfstandig kunnen uitvoeren, moet je ze eerst hulp bieden. Hierbij kun je scaffolding gebruiken. De letterlijke vertaling van scaffolding is ‘(het bouwen van een) steiger’. Pas je als docent scaffolding toe, dan bouw je zogezegd tijdelijke steigers; bij het aanleren van nieuwe vaardigheden krijgen de studenten in het begin veel ondersteuning. Naarmate ze steeds meer zelf kunnen, bouw je de begeleiding geleidelijk af. Tot op het moment dat ze helemaal zelfstandig kunnen werken.

GRRIM: verschuivende verantwoordelijkheid

Bij scaffolding ga je uit van GRRIM: het Gradual Release of Responsibility Instruction Model. Tijdens het aanleren van een vaardigheid verschuift de verantwoordelijkheid geleidelijk aan van docent naar student. In het begin, tijdens de uitleg, ligt de verantwoordelijkheid nog geheel bij jou. Naarmate jullie samen in het leerproces vorderen, krijgt de student steeds meer verantwoordelijkheid. Kan die de aangeleerde vaardigheid zelfstandig toepassen, dan ligt de verantwoordelijkheid volledig bij de student. Doordat je steigers inzet, gebeurt dit verschuiven op het juiste tempo.

Vorm van differentiatie

Bij scaffolding wordt leren gezien als een sociale interactie: iemand die iets al kan (de expert, de docent) helpt een beginner (de student) steeds een stapje verder in het leerproces. In principe is scaffolding een vorm van differentiatie. Elke student heeft zijn eigen vorm en mate van begeleiding en ondersteuning nodig. Allemaal hebben ze hetzelfde einddoel, maar de manier waarop ze naar dat doel toe gaan, is bij iedereen verschillend. Daarom moet je ze de individuele ondersteuning bieden die ze nodig hebben.

Bij scaffolding moet je dus aan drie voorwaarden voldoen:

1. Je ondersteuning/begeleiding vermindert geleidelijk aan.
2. De verantwoordelijkheid komt steeds meer bij de student te liggen. Als docent hevel je de verantwoordelijkheid als het ware in kleine beetjes over naar de student.
3. Je biedt ondersteuning op maat. Zonder deze ondersteuning had de student het niet gekund.

Hoe kun je als docent de juiste ondersteuning bieden?

Wil je als docent scaffolding toepassen, dan kun je dat op verschillende momenten doen. Voordat je je studenten ondersteuning kunt bieden, moet je hun aandacht naar de taak leiden. Vervolgens moeten ze die aandacht bij de taak hóúden. Als docent herinner je je studenten aan het doel van de taak en zorg je ervoor dat ze niet blijven hangen op een laag niveau. Uitdagen mag dus zeker, maar waak er ook voor dat het niet te uitdagend wordt. Het vinden van de juiste balans is belangrijk om het stressniveau van je studenten te reguleren. Daarom moet je stukjes van de taak ‘afpakken’ van de student die ze nog niet kunnen uitvoeren. Zo zorg je ervoor dat ze niet in de stress schieten omdat ze het niet begrijpen, en zich te veel met randzaken bezig gaan houden die hun werkgeheugen belasten. Naarmate het leerproces vordert en studenten meer kennis krijgen, geef je ze meer en meer verantwoordelijkheid. Je studenten kunnen de vaardigheid steeds zelfstandiger uitvoeren.

Om die fases van het leerproces te laten slagen, heb je meerdere gereedschappen. Deze didactische technieken, die je als docent waarschijnlijk al kent en toepast, helpen om je studenten steeds dat stapje verder te krijgen. Zo kun je feedback, hints of suggesties geven bij het maken van een opdracht, of vertellen wat een student tijdens een opdracht moet doen. Ook kun je vragen stellen aan de student of uitleggen hoe en waarom hij iets moet doen. En door een opdracht hardop denkend voor te doen of te demonstreren (‘modeling’), kan de student het nadoen.

Scaffolding toepassen in een rekenmethode
Scaffolding is dus het best toe te passen binnen de sociale interactie tussen docent en student. De docent heeft namelijk zicht op het leerproces en ziet wat de student nodig heeft. Lesmethodes kunnen de docent hierin helpen. Bijvoorbeeld als aanvulling op de klassikale uitleg of tijdens het zelfstandig oefenen. In de rekenmethode Startrekenen MBO bieden we veel steigers tijdens de aanleerfase en bouwen we dit geleidelijk af. Deze verschuiving is goed te zien in het combinatiepakket van de methode, waarbij het leerwerkboek de aanleerfase omvat en vervolgens digitaal toegewerkt wordt naar volledige zelfstandigheid.

In het leerwerkboek worden studenten stap voor stap begeleid, door opdrachten te maken die al deels zijn ingevuld. Bij deze ‘afmaakopdrachten’ (completion tasks) hoeven ze zelf nog niet actief alle stappen uit te rekenen. De ondersteuning neemt langzaam af, waarbij de studenten uiteindelijk de gehele berekening zelf doen. De docent wordt op zijn beurt weer geholpen doordat er in de uitgebreide docentenhandleiding wordt aangegeven bij welke opdrachten en op welke manier hij extra ondersteuning kan bieden.

Zelfstandig online verder oefenen
Na het begeleid aanleren in het leerwerkboek gaan studenten zelfstandig verder in het online gedeelte van Startrekenen MBO. Ze maken opdrachten totdat ze de vaardigheid op het gewenste eindniveau beheersen: ze kunnen de opdrachten zelfstandig en zonder hulp uitvoeren. Wanneer de studenten er toch even niet alleen uitkomen, kunnen ze ook hier terugvallen op verschillende vormen van ondersteuning: bij een fout antwoord krijgt de student de mogelijkheid om zijn antwoord te verbeteren en wordt daarbij geholpen door hulpvragen en oproepbare theorie. Na het inleveren van de opdracht kan de student ook altijd nog een voorbeeldberekening bekijken.

De cruciale rol van de docent

De toepassingen van scaffolding in Startrekenen MBO zijn aanvullingen op de didactiek van de docent. Als docent heb je een cruciale rol. Bij de introductie van nieuwe rekenvaardigheden geef je eerst (klassikaal en individueel) uitleg. Als studenten met de vaardigheden aan de slag gaan, ben je de belangrijkste factor in de ondersteuning. De lesmethode kan je hierbij wel helpen. Door de hierboven genoemde opbouw van en gebruikte gereedschappen in de taken, maar ook via een uitgebreide docentenhandleiding en PowerPoints. Deze helpen je om de lessen voor te bereiden en opdrachten klassikaal te behandelen. Met de lesmethode als hulpmiddel kun jij, de expert, elke student de ondersteuning en begeleiding bieden die hij nodig heeft.

Bronnen

Kirschner, P.A, Claessens, L, Raaijmakers, S, Op de schouders van reuzen. Inspirerende inzichten uit de cognitieve psychologie voor leerkrachten (2018), Ten Brink Uitgevers, Meppel

Pol, J van de, Volman, M, Beishuizen, J, Scaffolding in Teacher–Student Interaction: A Decade of Research (29 april 2010), Educational Psychology Review (2010) 22:271–296, Springer Science & Business Media B.V.

Surma, T, Vanhoyweghen, K, Sluijsmans, D, Camp, G, Muijs, D, Kirschner, P, Wijze lessen. Twaalf bouwstenen voor effectieve didactiek (2019), Ten Brink Uitgevers, Meppel